Deel 1

Theo Akse schrijft politiethrillers en is lid van ons schrijverscollectief. Hij gaf 25 oktober 2015 tijdens de opening van het jaarlijkse Nederlandse thrillerfestival in het Stadstheater van Zoetermeer, een lezing over zijn tweede boek De Zesde Poort. Meer info op  de auteurspagina

door Theo Akse

De koster schoot overeind. Slaapdronken luisterde hij of hij het niet gedroomd had, maar hij hoorde toch duidelijk een klok luiden. En het was onmiskenbaar de klok van zíjn kerk! Verward keek hij naar de rood oplichtende cijfertjes van zijn wekker. Twee uur veertien! Hij kon zijn oren en ogen niet geloven. In het holst van de nacht luidde zijn klok.
‘Wakker worden, vrouw. Hoor toch eens. De klok luidt, de klok luidt!’
Zijn vrouw mompelde iets onverstaanbaars maar was te diep in slaap. De koster sprong uit bed, trok kleding van de vorige avond over zijn pyjama aan en stoof de trap af. Op kousen en zonder jas rende hij de koude nacht in langs de Kunstbreak de Wilhelminastraat op. De klok bleef onverstoorbaar luiden door de uitgestorven straten van Berkel en Rodenrijs.
Bij de achterdeur van de hervormde kerk gekomen, graaide de koster een sleutel uit zijn broekzak. Voor zijn gevoel duurde het opendraaien eindeloos, terwijl hij zich bleef afvragen welke idioot aan het touw stond te trekken.
Binnengekomen rende hij door de zaalkerk naar de torenhal. Op dat moment werd het geluid plotseling minder. Toen hij in de hal kwam, knipte hij het licht aan en keek verbaasd om zich heen. Het touw hing los uit het touwgat, zwierde nog na, maar er was niemand te zien. Hij begreep er niets van. Tot een minuut geleden had iemand hier aan het klokkentouw gehangen.
De koster voelde eerst aan de deur van de torentrap en toen aan de buitendeur. Beide op slot. Hij opende de buitendeur en schrok toen hij recht in de ogen van een politieagent keek met een vervaarlijke snor.
‘Wat bent u hier aan het doen?’ vroeg de agent onmiddellijk.
‘Ik niks! Ik ben de koster. Eén of andere onverlaat was de klok aan het luiden en toen ben ik polshoogte gaan nemen.’
‘Zo. En waar is die onverlaat dan wel?’
‘Dat weet ik niet. Ik kwam zojuist binnen en er was niemand. En alle deuren waren op slot.’
De agent keek hem peinzend aan.
‘Vreemd. Bij ons kwamen om tien over twee vijf meldingen tegelijk binnen. Gelui van kerkklokken, niet alleen hier in Berkel maar ook in Bleiswijk, Bergschenhoek, Nootdorp en Pijnacker.’
De koster keek verrast.
‘En daar ook alles op slot en niemand te bekennen?’
‘Afgesloten weet ik niet, maar er is niemand aangehouden.’
‘Het is een mysterie. Overal in Oostland, midden in de nacht, kerkklokken die …’
Terwijl hij dat zei viel het oog van de koster op iets wat aan de lege kapstok hing. Hij haalde de puntige muts van de haak, bekeek deze en werd toen lijkbleek.
‘Agent, k-k-kijk! Dat symbool op de rand, dat, dat, dat is…’