Deel 7

Willem de Vreededoor Willem de Vreede 

Ferdinand sprong van zijn barkruk maar de man liep met grote passen naar buiten al schreeuwend: ‘Slaapt door, gij goddelozen, slaapt maar door!’ Zijn stem verdween in de nacht en toen Ferdinand nog geen twee seconden later buiten stond, was er geen spoor meer van hem te bekennen. Op dat moment voelde hij zijn telefoon trillen in zijn broekzak.

Onbekend nummer zag hij. ‘Ferdinand.’ Het bleef even stil en toen een aarzelende stem. ‘Met de koster, jij bent toch die journalist van gisteravond?’ ’ Jazeker.’ ‘Voor wat het waard is, wil ik je toch vertellen wat ik weet over flagellanten die hier ooit in Oostland leefden. Het waren er een paar en die stonden onder leiding, of invloed, van ene Johannes in ’t Veen. Een bijnaam. Niemand weet wat zijn echte naam was. Een zonderlinge man die hel en verdoemenis predikte en als veenwerker in zijn onderhoud voorzag. Vlak bij zijn huis werd op een dag een lijk gevonden, een vrouw met in haar arm het symbool van de flagellanten gekerfd.’ Ferdinand moest even slikken en dacht aan het stempel op Nathalies arm. ‘Voor de baljuw van Delft was het voldoende bewijs en zonder vorm van proces werd Johannes opgehangen. De flagellanten gingen ondergronds en verdwenen.’

De koster zweeg even. ’Tot gisteren.’ Ferdinand voelde de opwinding stijgen, hij rook een scoop die regio-overstijgend was. ‘Hoe weet u dit allemaal?’ ‘Interesse jongeman, interesse in de geschiedenis van deze kerk. Dit is wel het meest vreemde verhaal dat ik ben tegengekomen. En nu lijkt het waarachtig na al die eeuwen een vervolg te krijgen. Doe je best jongeman.’ Voordat Ferdinand kon reageren hing de koster op. Ferdinand dacht snel na en kwam tot de conclusie dat Nathalie hier meer van moest weten. Het was een gevoel, maar hij moest haar vinden. Zo snel mogelijk. Hij haastte zich naar hun gemeenschappelijke onderkomen en probeerde haar te bellen. Ze nam niet op. Eenmaal thuis vloog hij naar binnen de huiskamer in. Drie huisgenoten keken verveeld naar de tv. ‘Waar is Nathalie?’ Bas was de enige die reageerde. ‘Ze is net weggegaan, hoezo?’ Ferdinand negeerde zijn vraag. ‘Waar is ze heen?’ ‘Hallo gast, ik ben haar vader niet, maar ze zal wel naar die discotheek zijn, je weet wel.’ Ferdinand was al weer weg, rende de straat uit. In de verte zag hij een fietser, het silhouet van Nathalie, in het licht van een lantaarnpaal. ’Nathalie!’ brulde Ferdinand. De fietser leek even stil te staan en vervaagde toen weer. Een kille windvlaag kroop door zijn jas, hij rilde. Even later werd het beeld weer duidelijker. Het was Nathalie. Geen twijfel meer. Langzaam maar zeker loste ze op in de duisternis.