Deel 6

nieckdoor Nick Steenkamp

Ferdinand liep bij zijn geboorte al tegen de veertig en zou die leeftijd altijd houden, beweerden sommigen. Een wijs man, veel op straat lopend, in het openbaar vervoer zittend en altijd rustig om zich heen kijkend, inwendig al het bizarre noterend dat zijn jachtige medemens ontging. Ferdinand kwam in zijn vrije tijd graag in het dorpscafé van Berkel. Hij werd gedreven door de reconstructie van zijn jeugd en de triestheid van het vergaan van de tijd. Hij had een alter ego, maar niemand wist welk. Vermoedelijk was het in het niets opgelost, ergens onderweg van de ene straathoek naar de andere.

‘Creatieve verbeelding is essentieel voor de ware wetenschapper’, was een bekende uitspraak van hem. Hij stoorde zich aan de kwaadaardige eigenschappen van de mens, zoals hebzucht, zinnelijke lust, werelds verlangen en ijdelheid. Wie zijn trots verwerkt en erboven staat, zo merkte hij weleens op, hoeft zich niet van zijn waardigheid te ontdoen.

Ferdinand verliet zijn huis en haastte zich in de stromende regen naar zijn stamkroeg. Het liep al tegen de avond. Koud was het niet, maar de vochtigheid was al kort na de neerslag in zijn lijf gekropen.

Hij ging het etablissement binnen en zag hoe de hele clientèle zich omdraaide. Het was een fraai, robuust café, planken op de vloer, donkerbruine lambrisering tot heuphoogte overgaand in glanzend behang in de kleur van oud goud. Velours gordijnen voor de ramen, glas in lood in de bovenlichten. Aan de wanden oude zwartwit foto’s uit een voorbije eeuw. Ook het verval droeg bij aan het patina, dat het café zijn glans gaf. Hij zag de blik van de kastelein, doordringend, vol mededogen en niet-begrijpend.

‘Zeker weer hetzelfde?’ zei de kastelein, die Ferdinand goed kende. Ferdinand knikte, het leek wel of hij in gedachten was verzonken. De kastelein vulde een groot glas met bier en zette dat op het café buffet. Ferdinand nam een ferme slok en zei: ‘In de late middeleeuwen, met zijn hongersnoden en pestepidemieën, waren er charismatische flagellantengroepen die door het land trokken, ondertussen zichzelf geselend en klaagzangen zingend, om mensen op te roepen tot berouw, boetedoening en bekering. De pest werd namelijk beschouwd als straf van God. Die jongens rosten zich niet voor niets af. Toen was het om de pest af te wenden. En nu? Wat zijn onze catastrofes? Er zijn de laatste tijd aanslagen, oorlogen en andere vreselijke dingen. Er heerst een klimaat van angst en woede. We moeten met elkaar geïnspireerd raken om in vrede samen te leven!’

‘Stop ermee!’ riep een man die achter in het café zat. ‘Je bent bedwelmd door je ijdelheid, stop met die opstandigheid’. Maar Ferdinand ging onverstoorbaar verder: ‘Probeer je frustraties los te laten’. De man liet zich niet overtuigen en beet Ferdinand toe: ‘Ga toch weg, je bent een slaaf van het uiterlijk vertoon.’

Opeens klonk geschreeuw en gevloek, en gerinkel van glaswerk. Even later vielen de stemmen stil, tot iemand een hartgrondige vloek liet horen en de hele bende weer in een liederlijk gebrul uitbarstte.

Voor de duivel, wat een toestand. Ferdinand zag een man met een capirote. Hij herkende de stentor, de zeer luide stem van… ja van wie? Dit is niet het moment om er met de huifkar tussenuit te gaan, dacht hij, want nu gaat alles veranderen.