Deel 2

Gerard van de Schootbrugge

Door Gerard van de Schootbrugge

In tegenstelling tot de koster liet de ervaren agent zich niet meeslepen door zijn emoties. Hij had wel heftiger dingen meegemaakt dan de nachtelijke confrontatie met een witte puntmuts met een paar gaten.
‘Is hier gisteren misschien een kinderfeestje geweest?’ wilde de agent weten.
De koster schudde geïrriteerd van nee. Waarom zag deze grote, vriendelijke reus niet dat hier iets bijzonders aan de hand was?
‘Kijk,’ zei de koster, ‘hier, op de rand, ziet u dit insigne?’
‘Ik zie een…..eh……, tja wat zal ik daar nu eens van maken. Een hengeltje misschien? Iets van de visclub?’
‘Niks hengeltje,’ beet de koster de agent toe. ‘Ik zal u zeggen wat dit betekent, mits u er geen ruchtbaarheid aan geeft.’
‘Misschien kunt u beter even gaan zitten,’ zei de agent. ‘U maakt een verwarde indruk. Wat is hier nu helemaal gebeurd? Twee harde feiten: nachtelijk klokgelui buiten de gemeentelijke verordening, wat u op een boete kan komen te staan, en een verdwaalde feestmuts. Er is geen braak. Geen vernieling. Er wordt niets vermist en er zijn ook geen andere sporen van een misdrijf.’
‘Ja, maar, eh, …., het was wel de noodklok die werd geluid,’ zei de koster nog steeds ontdaan, ‘en dat is de afgelopen honderd jaar niet meer voorgekomen.’
‘Ik zal het melden,’ zei de agent, ‘maar erg veel indruk zal het niet maken op de driehoek. Voor nieuwe feiten kunt u zich morgen vanaf half negen melden aan het bureau.’
Juist op het moment dat de koster wilde protesteren tegen deze lakse opstelling van het bevoegd gezag betrad een nieuwe speler de plaats delict. Een lange, magere jongeman met een verwilderde bos haar, een pluizig baardje van een dag of vier en een bril met een oranje montuur die hem een carnavaleske uitstraling gaf. Voor de koster een onbekende, maar niet voor de agent, die hardop zuchtte: ‘O, god, nee hè, als dat Ferdinand Bakeland niet is. Het wordt nu echt tijd dat ik vertrek. Ik zou zeggen, heren, nog een prettige nacht. En maak het niet te laat.’
De agent maakte nog een laatste aantekening en vertrok.
De jongeman stelde zich netjes voor aan de koster en deelde hem mee dat hij leerling-journalist was bij De Bazuin. Berichten op de scanner hadden hem gealarmeerd. Hier leek meer aan de hand dan kwajongenswerk of een stunt van een club Delftse studenten. Terwijl hij dit vertelde, stond de koster nog altijd met die vreemde, witte puntmuts in zijn handen.
‘Heeft die muts iets met deze vreemde historie te maken?’ vroeg de wakkere leerling-journalist.
De koster aarzelde en mompelde half binnensmonds: ‘Ik acht het niet uitgesloten.’
‘En wat kunnen we daar uit afleiden?’ wilde Ferdinand weten.
De koster wees op het vreemde insigne.
‘Kijk, hier. Het teken van de Geselbroeders. Ze zijn terug. En dat voorspelt weinig goeds.’